Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AF9124

Datum uitspraak2003-04-29
Datum gepubliceerd2003-05-26
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof Leeuwarden
ZaaknummersWAHV 03/00245
Statusgepubliceerd


Uitspraak

WAHV 03/00245 29 april 2003 CJIB 35064565 Gerechtshof te Leeuwarden Beschikking op het hoger beroep tegen de beschikking van de kantonrechter van de rechtbank te Haarlem van 27 mei 2002 betreffende [betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene), wonende te [woonplaats] 1. De beslissing van de kantonrechter De kantonrechter heeft het verzet van de betrokkene tegen de tenuitvoerlegging van een door de officier van justitie in het arrondissement Leeuwarden op 26 oktober 2001 uitgevaardigd dwangbevel ongegrond verklaard. De beschikking van de kantonrechter is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit. 2. Het procesverloop De betrokkene heeft tegen de beschikking van de kantonrechter hoger beroep ingesteld. De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend. De betrokkene heeft schriftelijk een nadere toelichting gegeven op het beroep. De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een reactie te geven op de nadere toelichting op het beroep. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt. Na afloop van de schriftelijke procedure heeft de betrokkene bij telefax d.d. 2 april 2003 een kopie van de nadere toelichting in het geding gebracht. 3. Beoordeling 3.1. Ingevolge art. 26a, tweede en derde lid, WAHV is degene die hoger beroep heeft ingesteld tegen een beschikking als de onderhavige slechts ontvankelijk in dat beroep na voorafgaande zekerheidstelling van het nog verschuldigde bedrag en van al de kosten en voorts na betaling van het verschuldigde griffierecht. Bij brief van 9 september 2002 heeft de griffier van de rechtbank de betrokkene in de gelegenheid gesteld om binnen twee weken na de dag van verzending van zijn mededeling zekerheid te stellen door storting van het verschuldigde bedrag op de rekening van het Centraal Justitieel Incassobureau te Leeuwarden. Uit een brief van de griffier van het de rechtbank gedateerd 3 maart 2003 aan de griffier van het hof blijkt evenwel dat binnen die termijn geen zekerheid is gesteld. 3.2. De betrokkene heeft in zijn reactie op het verweerschrift (de nadere toelichting op het beroep) d.d. 25 maart 2003 gevraagd om uitstel van het hoger beroep, omdat hij en zijn vrouw niet in staat zijn de borgstelling te voldoen. 3.3. Indien een betrokkene in hoger beroep binnen de hem voor het stellen van zekerheid van het nog verschuldigde bedrag en al de kosten gegunde termijn aanvoert niet in staat te zijn het verlangde bedrag te voldoen, is er in beginsel aanleiding te overwegen of de verplichting in volle omvang griffierecht te betalen en zekerheid te stellen tot het volledige verschuldigde bedrag en al de kosten een zodanige belemmering oplevert, dat een en ander in het onderhavige geval zou neerkomen op een ontoelaatbare beperking van het in art. 6 EVRM gegarandeerde recht op toegang tot een onafhankelijke rechterlijke instantie. Bij een positieve beantwoording van die vraag zou mogelijk redelijkerwijs geoordeeld moeten worden dat de betrokkene ten aanzien van de genoemde verplichting niet in verzuim is geweest. 3.4. Niet gebleken is dat de betrokkene binnen de voor de betaling gestelde termijn in antwoord op de hem gezonden brief van de griffier van de rechtbank d.d. 9 september 2002 enige actie heeft ondernomen. Echter, ook van een niet professionele procespartij mag worden verwacht dat op de toegezonden brief wordt gereageerd door ofwel de gevraagde zekerheidstelling te verschaffen ofwel uiteen te zetten, waarom men hiertoe niet kan overgaan. 3.5. Nu niet is voldaan aan de voorwaarden waaronder de zaak aan het hof kan worden voorgelegd, zal het hof de betrokkene in het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaren. 4. De beslissing Het gerechtshof: verklaart de betrokkene niet-ontvankelijk in het hoger beroep. Deze beschikking is gegeven door mr. Dijkstra, in tegenwoordigheid van mr. Hiemstra als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.